Posts tonen met het label mei. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mei. Alle posts tonen

donderdag 6 mei 2010

over MEI - herman gorter

'Sommige werken leest en herleest men om de wijsheid van geest, de poëzie der gedachte. Mei leest en herleest men om de heerlijkheid van het leven, om de poëzie der onmiddellijke natuur. In geen ander gedicht, voor of ná [18]'80 is zij sterk aanwezig. Men laat de moderne natuurpoëzie graag beginnen bij Guido Gezelle. Hij heeft, evenals Gorter, diepe directe natuurervaringen gekend, maar zijn natuurpoëzie is in wezen godsdienstig. De natuur getuigt, spreekt, looft en prijst. Zij is dienares, de beleving van haar eenheid is verbonden aan een geestelijke conceptie. Dat is in Mei nog niet het geval, ook niet waar het gedicht een sprookje wordt. Het blijft dan poëzie van het onmiddellijke natuurlijke leven, het is nooit het sprookje met een gedachte als doel, zoals de Kleine Johannes.'

uit: Herman Gorter Gedichten - gekozen en ingeleid door J.C. Brandt Corstius (1946)

dinsdag 16 maart 2010

herman gorter (1864-1927) - mei - een inleiding

'[…] Het gedicht heeft geen vast onderwerp. Het wil geen bepaalde gedachte in beeld brengen. Men kan niet zeggen dat het de dichter erom te doen is het sprookje te vertellen van de maand Mei. Legt men het naast een modern gedicht, dat er enigszins aan doet denken, b.v. Scheppingsdroom van M. Mok, dan bemerkt men dat in het laatste elk vers gericht is op de bedoeling van de dichter het ontwakend dichterschap in een jonge man te beschrijven. Zo'n bepaald onderwerp heeft Mei niet. Het leven zelf wordt er verdicht, uitschietend, vervloeiend naar alle kanten en toch krijgt het volkomen vorm in het argeloze verhaal met zijn natuurlijke begin en einde. Wie het zou willen na vertellen, houdt een schamele geschiedenis over die niet de moeite waard is. Wie het leest voelt: de dichter "leeft duizend levens", het diepe natuurlijke zielsleven doorstroomt hem zonder onderbreking. […]'

uit: Herman Gorter Gedichten - gekozen en ingeleid door J.C. Brandt Corstius (1946)

zaterdag 13 maart 2010



































peter kolpa © 2010

herman gorter aan zijn 'meisje' - sept. 1890

‘O, het was maar goed dat ik gisteravond wegging. Dat gepraat, dat onnoozel, dof gerommel van woorden, dat maakt me soms wanhopig. Is het niet verschrikkelijk, zoo maar te praten, en weinig of niets te denken? Er is zoo weinig menschelijks in. Het maakt me bang en benauwd er tusschen te zitten. Ik houd van heldere stemmen en van schitterende oogen, en bloed en een kloppend hart. Ik houd van stilte en zacht helder denken. Het was maar goed dat ik wegging.’

diepenbrock aan zijn ouders - jan. 1889

‘Ik ben erg benieuwd wat u er van zal vinden als u het leest; het komt nu spoedig uit. Gorter schreef mij dat hij het bij Van Eeden had voorgelezen, en dat hij daar ieder oogenblik op het kleine stoeltje, waar hij op zat, moest denken onder 't lezen aan het kleine kamertje op de Heerengracht, waar wij samen die heerlijke Saterdagavonden hebben doorgebracht, toen hij het vers voorlas, iedere week een nieuw stuk, en van tijd tot tijd een pause maakte om een stukje grijs roggenbrood te eten.’


















peter kolpa © 2010